In Suriname

spreken de winden

de taal van de lente

De zee zingt

het lied van de wolken

In regendruppels

klinkt het gloedvolle gezang

van het bulderen van de oceaan

De zon barst open

in haar eigen goudkleurige hitte

De goudkleurige zonnestralen

worden tot goud

om ver van Suriname’s drassige zee-grond

heel ver van menselijke bewoning,

verstrikt in de jungle-lianen,

in de grond van Sabana

de geschiedenis van goud te schrijven

Stilletjes drongen de vernietigende

buitenlandse gouddelvers hier binnen met hun werklui                 

Voor hun lichaamsarbeid

werden slapende hoeren betaald               

met kakelvers, echt goud

dat uit de aarde tevoorschijn kwam,

in ruil voor een jong lijf         

Alsof zij tot het menselijk ras behoren

op het hoofd een gouden kroon: ‘gevleugelde powasi’;

de Surinaamse powisivogel in mensenvorm