Pushpita Awasthi

In feite is dit het persbericht over mijn gedicht, vanuit het huis van het gedicht. Ik woon in het huis van het gedicht, daarom is het gedicht in mij en ben ik in het gedicht. Gedichten laten het bloed door mijn gevoel stromen – ik zie er liefde in, zie er de natuur in, ik overdenk er gedachten in, begrijp er de wereld in en vorm er dromen in. Mijn gedicht is de spiegel van mijn gevoelens. Wat ontastbaar is maakt mijn gedicht met mijn hulp tastbaar en ik vorm het met behulp van mijn gedicht.

De liefde van de geliefde…vertrouwen…eigenheid – wat ik er ook van krijg, wat ik er ook door voel, wat het niet begrijp..niet kan weten, omdat het in mij gebeurt, wat ik in mijn gedicht openbaar. Ik gebruik soms woorden in mijn gedichten als lijnen en soms als kleuren; daarom zijn ze soms een levend schilderij of portret. In hen is liefde, gevoel, een rilling, trilling, een hartslag en de hete strijd van het leven en soms als films – sprekend; bewegend van binnen naar buiten zoals een films zijn mijn gedichten zo’n camera van woorden, waarin de hele wereld samenkomt. Daarom is het de vleeswording van de strijd van de geest en de uitleg van wat met het levende te maken heeft. Als mijn gedichten enerzijds een tedere liefdesverklaring zijn, dan zijn ze anderzijds ook de legende van de schepping en de wereld.

Mijn gedichten zijn in feite een film van woorden. Na het afdalen op het celluloid komen de woorden uit eigen kracht te bewegen en tot leven. De voetstappen van tranen en glimlachen zijn er ook in te horen. Daarom, als gedichten gehoord worden in plaats van alleen gelezen, daalt het binnen rustig af – stromend – zoals een waterstroom. In woorden is de stem van het gevoel te voelen, waarin de gevoelens van het gedicht in haar diepste betekenissen te horen zijn en zij komen het gedicht ziende tot leven.

Mijn gedichten zijn op een manier zo’n kracht van mij, die mij van kracht doet overstromen. Het gedicht heeft een eigen lichaam, wiens ene helft in de dichter is en de rest in het gedicht. Daarom zijn mijn tweeslachtig in verschillende betekenissen. Haar lijnen van betekenis op eeuwenoude wijze reiken dan ook tot verschillende contexten uit.

Het gedicht vult mij met visie en het begrijpen van visies. Door het gedicht ben ik gevoelig en door mijn gevoeligheid raken de gedichten de diepste emoties. Door mijn gedichten blijft mijn geest volledig actief. Zij stelt door kennis en wijsheid altijd haar eigen wijze ter discussie. In geest, verstand en de ziel, of met andere woorden in de alerte stand van deze drieledigheid worden tijdloze concepten geboren.

Hoewel de geboorte van mijn gedicht tijdens plaatsvond toen ik schreef, heeft de geboorte van het zelf van mijn dichterspersoonlijkheid daarentegen door mijn gedichten plaatsgevonden. Door uit het lichaam van mijn gedicht te voeden is mijn dichtkunst tot bloei gekomen en heeft deze een aparte eigen status verworven. Hierdoor wordt mijns inziens door het bestaan van het gedicht de identiteit van de zelf solide.

Ik ervaar, dat in het gedicht een wonderlijke kracht als van een tot leven brengende plant zit. Zij houdt mij levend en levendig – in haar elixer huist een levende kracht. Zolang een dichter gedichten blijft schrijven, blijft hij in zichzelf het leven en frisheid ervaren. Het gedicht blijft tijdens haar creatieve momenten zichzelf vormend ook de dichter vormen. Het gedicht is het leven, zij incarneert het leven in woorden. Ze blijft de geschiedenis van zowel de tijdsgeest als het leven van de dichter op eigen wijze met gevoeligheid bijschrijven. Het gedicht wekt, terwijl ze het leven en de maatschappij op het niveau van bewustzijn bewust maakt en tussen het leven en de maatschappij continu een debat in stand houdt.

Mijn gedicht is voor mij gelijk een menselijk lichaam – ze blijft aan mijn zijde…luistert naar me…kijkt naar me..verenigt me..ontmoet me. Het gedicht ziet in mij haar dromen…ik droom in het gedicht..ik vorm mijn eigen dromen in het gedicht..geef hen een beeld en het gedicht in mij. Soms gebeurt het, terwijl we zo in elkaar vervlochten raken, dat ik het gedicht word en het gedicht in mij verandert.

Mijn gedicht geeft mij in deze mens-tegen-mens strijdende tijd de kracht om menselijk te blijven. Het houdt ons vindingrijk tegen deze desastreuze tijd. Wanneer aan alle kanten het complot gesmeed zou worden om alles te laten vergaan, redt mijn gedicht alles op eigen wijze en wikkelt het zich wanhopig een poging om alles te vormen en houdt mij erin verwikkeld. Ik blijf dag en nacht met het gedicht in de strijd verwikkeld in een poging om het leven, liefde, dromen, banden, de wereld, de natuur en alles onaangetast te laten. Het gedicht is niet alleen de Qutb Minaar van woorden, maar ook is ook de pracht van de aantrekkelijke uitdrukking van de liefde zoals de Taj Mahal.

Het gedicht verrijkt zichzelf door het begrip over het leven leven. Ondanks het moeten verduren van een strijd behoudt ze geluk en vreugde in de creativiteit van de dichter. Mijn gedicht is niet droevig om mijn tijd, het leven en de natuur. Ze houdt mij voor de toekomst altijd hoopvol en gelovend – zoals een moeder. Ik denk dat in het gedicht de kracht van een moeder schuilt.

Als er in woorden God huist, dan is in het  gedicht de goddelijke kracht die ook de dichter ontwaakt houdt en ook zijn omgeving, waardoor de schepping gespaard blijft. ‘Gedicht’ is een andere naam voor de creatieve kracht die de schepping, gevoel en wijsheid beschermt. In een tijd die onmenselijk wordt, is het de levende, beschreven expeditie van de ongrijpbare, goddelijke kracht om de mensheid gespaard te houden. Waarvoor het alleen nodig is het op mijn manier te ontvangen en te voelen.

Het gedicht is mijn leven  - alvorens haar te vormen, heeft het mij gevormd. Het gedicht is in mij en ik in het gedicht. Voor mij is het gedicht niet alleen een vorm, maar ook een visie, waarin het licht zit om poëzie in het bewustzijn te krijgen, alsmede de waterval van gevoelskennis en de levensessentie van gevoel voor kennis. Daarom vormt het gedicht mijns inziens naast de dichter ook haar tijd en de omgeving, waardoor de dichter op een natuurlijke manier delen van de mensheid zou kunnen schapen.

In mijn gedichten wordt het leven van beschaving, cultuur en de maatschappij gebouwd. Gevormd wordend in woorden spreekt het gedicht over het gescheiden worden van woorden – in mijn gedichten kan de aanraking van gevoel, gedachte en visie gevoeld worden. Beheersing van gedachte en visie geeft mijn gedichten de visie die helder als water is aan gevoel, wat ook de oorspronkelijke basis van mijn gedichten is. Mijn gedicht heeft zoals ikzelf een wonderlijk vormproces. Ze behandelt elk onderwerp op eigen wijze. Met gerelateerde woorden aan het onderwerp blijft het gedrag van de kunde van mijn gedicht veranderen. Soms hult ze een woord in duister door de betekenis te verbergen en soms is de betekenis zo prominent, overweldigend, breed en stromend, dat het verbluft. Indrukwekkende dichtkunst kent een eigen illusie die het gedicht vormt. Dat gaat buiten de kracht van een simpele dichter om.

Mirza Ghalib once asked: Where there is no autumn, how can spring exist? In poetry we do need both; a reckless political Bukowski and poised Pushpita - in the same breadth. While deemed as a late modernist, I don’t have any difficulty with Pushpita’s poems because at Skylark, for decades, I have been able to publish excellent international poetry in translation with the illustrious names including Borges, Neruda, Shiv Kumar Batalvi, Amrita Pritam and many more, offering a miscellany of poetry. I believe Pushpita’s poems have their own seat with their work.

In Pushpita, one finds the unadulterated poetry there can be. In her, there are no clutters of our daily afflictions, nor the array of imagery of symbols, historical or otherwise. They are all distilled out. This focused gaming
allows her to capture her voice with the untainted absolute beauty analogous to the impressionist paintings. To some, her poems may seem cloistered, renouncing the daily realities. Of course, the impression is of Chhayavad akin to the English Romantics or Tagore. In fact, her poems belong to what we know as Samkaleen Kavita, which embraces wide gamut of shades and colours of literary practices trying to liberate poetry from a medley of movements. Pushpita’s poems are thus at an atypical end of the spectrum, totally cleansed. Desperate to repeat JFK’s point; power corrupts, poetry cleanses.

Pushpita’s poems are not of the Sufi nature. Nor are they about Nirvana or Moksha. Yet, they are about absolute diffusion and dispersion into elevated exuberance. They have no claims or advice either. The theme is
of love; often, about its discovery in our ambience. The poems start with some love affair played out by the nature - often rivers, sun, moon, ocean and sky - where the poet is in unison. The poems end up collapsing in
her very personal cosmos, exhausted and dissipated as love. As in this poem entitled Spirit:
I settle
my unwavering gaze
on the moon of love
so the spirit of moonlight
may manifest
like love

Almost all her poems end up declaring the aspiration to create –in her own words- the everlasting pure
language of love.

Pushpita handles sensuality with restrain, as found in her poem Magic of the Body:
in the first thrill of love
the wakeful eye within
knew
the magic of the body
Also, in the poem Synonym of Love:
The river
Knows
the comfort of the moon
Through the night
the moon explores her
from bosom to womb

Pushpita says in one of her poems:
In love
one lives
all seasons together
Thus her poems celebrate the immediacy of love timelessly at once.

Love is not a static object. It is a unique communication. In her extremely short poem Space, Pushpita tells us how love plays out and unwraps our being:
Love opens
the heart
layer by layer
and creates
space

They say love is blind, and certainly the meaning here is the same. Love makes you drop all your guards, opensup your heart to make it naked, and with all its essence charges the subject to submission, as a result, only the
empty shell remains. This leaves whole being in a condition to accept someone’s love without anypreconditions. Poem ends in that anticipation. Pushpita describes her work as.

Such accomplished craftsmanship shown here as a poet, Pushpita deserves the accolade which is being bestowed on her today at the House of Lords. One can go on, but to conclude, I hope you all will join Pushpita when she pens in her poem, I Chose You, these words:
To write together that
short and sweet word
Love
Again in your words Pushpita, I hope I have been able ‘to place in your palm/the melting warmth of love.’